Contractenrecht

Artikelen contractenrecht

De invloed van de coronapandemie op contracten

2 maart 2021

Het uitgangpunt bij het sluiten van een contract is dat iedere partij aan de verplichtingen die uit het contract voortvloeien gebonden is. Door de coronapandemie is door contractspartijen vaak een beroep gedaan op betalingsonmacht. Dit gebeurt vaak in de positie van de huurder of een andere contractspartij die door de coronapandemie geen of minder inkomen ontvangt. Inmiddels zijn meerdere uitspraken, ook in kort geding, gedaan door meerdere rechters. Na bestudering van diverse uitspraken kan de navolgende lijn worden ontdekt. 

  • aan overmacht wordt slechts een relatieve betekenis toegekend.
  • financieel onvermogen van de debiteur als gevolg van de COVID-19-crisis, zowel bij overmacht als bij onvoorziene omstandigheden, komt voor risico van de debiteur
  • ten aanzien van overeenkomsten die gesloten zijn vóór 20 maart 2020 geldt dat de COVID- 19-crisis als onvoorziene omstandigheid wordt aangemerkt, die - tenzij anders is overeengekomen - niet als ondernemingsrisico wordt aangemerkt van de partij die zich daarop beroept.
  • ten aanzien van het financiële nadeel dat door de betreffende eisende partij is geleden, rust op die eisende partij een zware stellicht en bewijslast.
  • als praktisch uitgangspunt wordt in de lagere rechtspraak een principe van 'share the pain' aanvaard. 
Dwaling

2 maart 2021

De Hoge Raad wijst in april 2020 over bedrog en dwaling bij contracten een nieuw standaard arrest. Op een vordering die gegrond was op bedrog of dwaling oordeelde de Hoge Raad dat voor een geslaagd beroep op bedrog of dwaling niet beslissend is - anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen - of de onjuiste mededelingen dan wel de verzwegen feiten de kern van de overeenkomst betreffen. Beslissend is of de onjuiste voorstelling van zaken waarvan bij bedrog en dwaling sprake is, ertoe hebben geleid dat de partij die zich op het wilsgebrek beroept, een overeenkomt is aangegaan. Ook onjuiste mededelingen of verzwegen feiten die niet de kern van de overeenkomst betreffen, kunnen volgens de Hoge Raad ertoe hebben geleid dat een partij die overeenkomst is aangegaan onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken en kunnen aldus een beroep op bedrog of dwaling rechtvaardigen. 

Een centrale rol wordt toebedeeld aan de artikel 6:248 lid 1 en 2 BW (de aanvullende en derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid), 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden), schuldeisersverzuim en de mogelijkheid van aanpassing van de overeenkomst (art. 6:60 BW); alles natuurlijk onder de paraplu van het Haviltex-arrest. Hierbij zou ook ruimte kunnen toekomen aan artikel 6:230 lid 2 BW, de rechterlijke interventiemogelijkheid die het leerstuk van dwaling biedt. 


Coronapandemie en onvoorziene omstandigheid ex 6:258 BW

2 maart 2021

De horeca wordt hard getroffen door de coronapandemie. Al twee keer heeft de horeca verplicht zijn deuren moeten sluiten. De kosten lopen door voor de ondernemers. Alle vaste lasten moeten worden doorbetaald, zoals de huur, het personeel, belastingen en het gas, water en licht. Veel horecaondernemers kunnen de huur niet meer betalen door omzetverlies als gevolg van de coronacrisis. Horecaondernemers vragen zich af of, gezien de coronapandemie en de gevolgen hiervan, zij verplicht blijven om de huur volledig te betalen.

De kantonrechter in Den Haag d.d. 21 januari 2021, ECLI:RBDHA:2021:461, heeft zich uitgesproken over de vraag of de coronapandemie als onvoorziene omstandigheid kan worden aangemerkt. 

In deze zaak verhuurt een verhuurder een bedrijfspand aan huurders. Het betreft een horecabedrijf. Er is een huurachterstand van €. 6.200,00 ontstaan. Huurders stellen dat door de coronamaatregelen de zaak noodgedwongen was gesloten en er geen geld was om de huur te betalen. De verhuurder vordert onder andere €. 6.200,00 voor achterstallige betalingen en ontbinding van de huurovereenkomst. De huurders voeren als verweer aan dat sprake is van een gebrek (artikel 7:204 lid 2 BW) en zij stellen dat sprake is van onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW) door de coronapandemie. 

Oordeel van de kantonrechter

Gebrek 
Op grond van artikel 7:204 lid 2 BW is een gebrek “een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft.” 

De huurders voeren aan dat de verhuurder zich niet heeft gehouden aan de verplichting om het gehuurde ter beschikking te stellen, voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is. Het huurgenot, zo stellen de huurders, is hierdoor aangetast, evenals de exploitatie- en omzetmogelijkheden. Er is dus sprake van een gebrek, waardoor huurders recht hebben op huurvermindering.

Onvoorziene omstandigheden
Op grond van artikel 6:258 BW kan de rechter “een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.” De vraag is of de coronapandemie een onvoorziene omstandigheid is. Het Gerechtshof Amsterdam heeft d.d. 14 september 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2604, geoordeeld dat de coronapandemie een onvoorziene omstandigheid is, zoals bedoeld in 6:258 BW. 

De gevolgen van de coronacrisis voor de economie en de maatschappij kunnen worden aangemerkt als een onvoorziene omstandigheid. Partijen hebben de pandemie en de gevolgen hiervan niet opgenomen in de huurovereenkomst en kunnen over en weer niet van elkaar verwachten dat dit het geval zou zijn.

Gevolgen
De kantonrechter weegt de volgende belangen af:
  • Verhuurder heeft het bedrijfspand feitelijk beschikbaar kunnen stellen aan de huurders, maar de huurders hebben het pand niet naar volle omvang kunnen gebruiken.
  • Het is redelijk om de betalingsverplichting van de huurders te verlagen door de omstandigheden, omdat beide partijen geen verwijt kan worden gemaakt over het ontstaan van de onvoorziene omstandigheden. 
Vast is komen te staan dat de huurders een groot deel van hun omzet zijn misgelopen als gevolg van de coronacrisis. Ook is de financiële steun van de overheid niet toereikeind genoeg. Volgens de kantonrechter moeten de gevolgen van de coronacrisis worden verdeeld over de huurder en verhuurder. De kantonrechter wijzigt de huurovereenkomst en oordeelt dat de huurders 50% van de huurprijs verschuldigd zijn over de periode van 15 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. Tijdens deze periode was de horeca slechts open voor afhalen en bezorgen. Voor de periode vanaf 15 oktober 2020 tot en met het moment dat de sluitingsmaatregel eindigt, bepaalt de kantonrechter dat een vermindering van de huurprijs van 25% is gerechtvaardigd. In deze periode moest de horeca om 22:00 uur verplicht sluiten.

Conclusie
De coronapandemie kan worden aangemerkt als onvoorziene omstandigheid, nu de horeca door de maatregelen van de overheid verplicht dicht moet en een groot deel van het inkomen van horecaondernemers wegvalt. Indien partijen hun standpunt goed onderbouwen, kan de kantonrechter oordelen dat de huurprijs wordt verlaagd, zoals in bovenstaande zaak.  

Share by: